Zakken vol: Wij moesten hem oom noemen, maar het woord oom kwam stroef over onze lippen en we keken naar onze schoenen als wij het uitspraken. Hij was een kennis van mijn ouders, van lang geleden.
Kraakt daar iets? vroeg hij als hij in de hal stond, zijn handen in zijn jaszakken. Hij was lang, had een schilferig gezicht.
Eerst die jas ophangen, zei mijn moeder koel.
Wij beknepen zijn jas, die naar sigaren geurde, tot we het hoorden kraken en een zak Engels drop opdolven.
Zeggen jullie dan, zei hij.
Dank u Oom Piet, fluisterden wij schuchter en met afgewend hoofd.