Roelof Lenten: Eind van de middag, van de week, van het jaar. De bel gaat en vader doet open. Ik sta achter hem. Verkeerslawaai. Een vlaag regen.
“Je bent een lul” roept iemand.
Uit het duister zeilt een groot vierkant pak op mijn vader af. Hij vangt, onhandig, het glijdt door zijn handen, hij zakt door zijn knieën, vangt het alsnog, maar het papier scheurt, twee boeken op de grond. Zeldzaam. Peperduur. Goud op snee.
“Voor jou, lul.”
“Roelof, wel godverdomme” roept mijn vader.
Een oude Kever scheurt weg. Veel lawaai.
Lenten die scheldend schenkt. Mijn vader die ontvangt met een vloek.