Stenen gooien: M en ik woonden in dezelfde ruimte, reden in dezelfde auto, werkten in dezelfde kuil. Op een middag kregen we ruzie over iets futiels. M. liep ziedend de loods uit. Even later hoorde ik een donderend geluid.
M. stond heuvelopwaarts, op een berg zwerfkeien, die we daar heen hadden gesleept. Opdracht van de baas. Loodzware stenen. Groter dan mensenhoofden. M. hield een steen boven zijn hoofd. Hij was lang, oogde woest, alle vrouwen vonden hem aantrekkelijk. Dat kon ik niet uitstaan. Hij smeet de steen weg, met al zijn kracht. De steen bonkte de helling af, rakelings langs een voorganger.