De neus: Ze trekt aan de kers op haar neus, maar haar vingers zijn oud en krachteloos, de kers zit vast, het trekken doet pijn. Ze kan nu wel goed ruiken, merkt ze. Ze ruikt aan de muur tussen haar en Amputeer, ruikt hoe het daar zit: Amputeer nurks in zijn stoel, handen op zijn buik, voeten op een krukje. Naast hem Keeshond, een schuimwolk met staart en oogjes.
Ze snuift met haar kers.
Een rilling trekt door Amputeer, zijn benen en armen vliegen op. Als een trekpop.
Hebbes, denkt ze.
Ze snuift en snuift en snuift. Amputeer spartelt in zijn stoel.