Verkeerde vak: Ach, mijnheer Aanstoot, onhandige wiskundeleraar, kersvers in een klas vol onwillige dertienjarigen. Een heksenketel, daar was hij in beland. Biddend om stilte. Ik zie zijn hoofd nog heen en weer schieten, rood, zweetparels.
“Wel nu wordt het mij al te grijs” riep hij.
Vergeefs.
Of
“Er zijn grenzen. Ja!”.
Een zwaar Twents accent. Volstrekte hoon. Overal weerklonk dat ‘Jaaa’.
“Ja” herhaalde hij.
Zijn stem beefde. De eerste leraar die ik volkomen wanhopig zag. Bang voor de klas. Onhandig, schuchter, in een vlaag van verstandsverbijstering in het vak gestapt. En maar roepen: “Er zijn grenzen, grenzen. Ja.”
Ik hoor hem nog.