8. Appel proeven
Appel proeven:
“Of de Elstars lekker zijn?”
“Lekker?”
De groenteboer maakt een ringetje van duim en wijsvinger. Het ringetje van picobello.
“Lekkerder krijg je ze niet.”
Hij werpt haar een appel toe.
Zij lijkt zelf wel een appel. Appelwangen, bladgroen jasje, het knotje het kroontje.
Ze houdt de langdurig appel tegen het licht.
“Nou?” vraagt de groenteboer.
Ze zegt niets, haalt de appel langs haar mouw, poets en poetst en poetst en neemt dan een hap. Het knappert, het knispert, sap spettert rond. Dan houdt ze de appel weer op. Blinkende schil, vruchtvlees stralend als licht.
Het wordt stil op de markt.