1. Eén been
Ik liep een rondje door de stad en langs de IJssel. Daarvoor had ik al tot half negen uitgeslapen. Het was een stille grijze ochtend. De winkeliers maakten hun winkels klaar voor de dag. De fietsenmaker zette zijn tweedehandsjes op de stoep en ik liet mijn gedachten maar wat gaan. Ik stak de brug over, door het Worp-plantsoen, waar nog een paar caravans staan. Een opgetuigd met vlaggetjes en een kring elektrische kaarsjes, flakkerend en midden in die kring een vrouw in een verschoten joggingbroek en een Stones-shirt, kleumend, zuigend aan een sigaret, met een been in een volgend levensjaar.