De taartpunt:
Tingeling.
Zij doet open en er staat een man in een bakkersbuis op de stoep. Rode knopen, rode wangen, grijze krullen.
Verrassing, zegt hij.
Hij drukt haar een schoteltje met een taartpunt in handen.
Van wie? vraagt ze, maar hij is al in het niets verdwenen.
Ze zet de taartpunt op de tafel voor het raam, de zon schijnt erop, en bestudeert hem langdurig. Ruikt, kijkt. Mocca, chocokrullen, glinsters, room.
Van wie? Ze vraagt het nu aan zichzelf.
Is het vertrouwd?
Ze haalt een vorkje uit de keukenla, zet het in de taart, prikt, proeft. Zacht zoet vult haar mond.