Zo gaaffffff
Ik liep op de Leeuwenbrug Auke tegen het lijf. Hij enthousiast.
“Heijs!, hoe gaat ie?”
“Ja, goed” zeg ik. “Heel goed”.
“En de kids?”
Ik vertel.
“Gaaaaaffffff. Zo gaaffffff. Die kleinen worden groot.”
“En met jou?”
“Druk”.
Hij spreidt zijn armen, alsof hij de wereld omvat. Dure kleren, glinsterende ogen.
“Ja de zaak gaat goed. Als de brandweer.”
De brandweer, denk ik.
Hij brult: “Nou Heijs.”
Ik krijg een dreun op m’n schouder.
“Oeps. Mag niet.”
Dan lopen we door.
Eikel denk ik. Eikel. Dat is vast ook wat hij denkt. Eikel, sukkel, zoiets. Waarom zeggen we het toch niet?