Nevel staren: Ik wandelde rond achten voor de avondklok uit over de IJsselbrug. Een grijze avond, uit de IJssel rezen mistflarden. De schijnwerpers die op de Lebuïnus schijnen, kwamen nauwelijks door de nevel. Op de brug een echtpaartje, wijzend op een rookpluim, kolkend in die mist.
“Is dat brand?” zei hij.
Welnee, denk ik gelijk, gewoon het ketelhuis.
“Komt door de mist” zei zijn vrouw.
“Wat denkt u?” vroeg de man.
Nog iemand stopte.
We keken gevieren naar alle tinten nevel in het licht van straatlantaarns, schijnwerpers, boeien op de rivier. In die nevel rook, zwart, verontrustend. Maar toch: gewoon het ketelhuis.