Altijd ouder: Op het dijkje achter het Sterrenbos liep ik Jack tegen het lijf. Vorig jaar viel hij tijdens zijn werk van een dak. Ik zag hem vaak voor me: neergestort in een bloembed of slingerend aan een veiligheidstrapeze, bonkend tegen een blinde muur. Alles gebroken.
“Rennen komt wel weer”, zei hij.
We praten even. Ditjes, datjes. Dan gaan we verder. Ik de dijk af, hij de dijk op, richting het spoor.Hij heeft wat alle hardlopers hebben Leeftijdloos in de groep, stilstaand, in het dagelijks leven, altijd anders dan voorgesteld: chiquer, sjofeler, plots in maatpak of overall. En ouder. Nooit jonger.