Twee honden: In het plantsoen, achter de watertoren, hoorde ik geblaf en een ogenblik later trof ik op een kruising onder de beuken twee stoeiende honden. Hun bazen praatten bij. Een peuter bekeek de honden. De honden draaiden om elkaar, sprongen tegen elkaar op, een wervelwind. Geblaf alsof het geschater was.
De peuter keek met grote ogen. Ik keek verwonderd mee, naar die draaikolk van poten, koppen, staarten, tongen, tanden, pluizen, een dans. Toen klakte een baasje met zijn tong. De honden vielen stil, het kind sloeg zijn ogen neer, de baasjes liepen door. Alleen het omgewoelde pad was nog te zien.