Twee gesprekken: De overbuurman belt voor zijn raam en ik voor het mijne. Elk staan we met een hand aan het oor en een hand in een broekzak. Zijn blik kruist de mijne. We lachen en zwaaien.
Ik bel.
Jij belt.
Wij niet elkaar, al lijkt het zo.
Ik zie hem knikken en fronsen en ik duik ook weer in mijn gesprek.
‘Ja’ zeg ik. ‘Nee.’
Ik hoor iets aan. Ik vraag iets terug. Er komt een voorstel uit. “Wat ik daar zoal van vind?”
Ik zeg “heel goed” en zie dat de overbuurman duim en wijsvinger tot een goedkeurend ringetje vouwt.