Fantastisch moe: Ik liep hard, verder dan ik wilde, verder dan ik kon. Ik fietste tegen de wind in zes kilometers naar huis en voelde een diepe vermoeidheid. Tot in elke vezel zeggen ze dan. Ik fietste er klunzig van. Later meer klunzigheden: ik liet een glas vallen, ving het in een soort jongleurs-act, schampte met mijn schouder de open glijdende schuifdeur bij de benzinepomp, strooide in de delicatessenzaak een pond nootjes over de vloer. Ontregelende vermoeidheid. Meewarige blikken. Maar, alle geklungel mezelf met genoegen onmiddellijk vergeven. Laat maar vallen, laat maar gaan: niemand hier heeft zo fantastisch hardgelopen als ik.