147 / Mussen kijken: In de achtertuin bekeek ik de mussen. Het waren er veel, ze maakten een hoop beweging, een hoop lawaai, zaten in de glansmispel, op het stoepje en tussen de twijgen van de wilgentenenschutting, sprongen op, vlogen heen en weer. Toen streek een mus neer op het stoepje en slaakte een langdurige alarmroep. De anderen fladderden dreigend om hem heen.
Ik riep: “Tuttut.” Was geneigd het voor die ene op te nemen, de buitenstaander, verstotene, de banneling.
Toen klonk op straat een knal. Alle mussen vlogen op. Even snorrende vleugels alom. Daarna bleef ik achter in een lege en stille achtertuin.