159 / Rood sein: De drang wedstrijdjes te doen met tegenstanders die niet weten dat we een wedstrijdje doen: die loper voor me inhalen voordat hij bij de spoorbrug is. Die fietser achter me houden tot de trap. Het meisje dat ik nu al op de brug zie maar dat ik nog best dubbelen kan. En het ergste: lopen tegen de trein die ik in de verte hoor. Ik wil eerder bij de eerste, tweede, vierde lantaarnpaal zijn. Sneller, één felle sprint. Maak er de zevende van. En dan de teleurstelling als het aanstormen achter mij verstomt. De trein wacht voor een rood sein.