Knippen
Op het pad onder langs de Singel kwam mij een vrouw tegemoet. Zij had rode wangen en heldere ogen, waarin iets glinsterde en een vederlichte tred.
“Ik hoorde je daarginder al komen,” zei ze en ze wees over haar schouder in de richting van de Drakenbrug.
“Ik zag het water rimpelen en de grond dreunde ervan.”
“Sorry,” zei ik zacht.
Ver achter ons ruiste zacht de fontein.
Ze zocht in de zakken van haar jas, haalde er een klein schaartje uit en legde het in de palm van haar hand.
“Vind je het niet prachtig?” vroeg ze.
“Ja,” zei ik, want het was een heel mooi schaartje, precies in de vorm van een kraanvogel: de benen de snavel, het schroefje een oog, een tikje opwaarts gericht.
“Alsof hij zo weg kan vliegen,” zei ik.
Zij knikte en we keken allebei naar de strakblauwe winterlucht.
“Zo helder,” zei zij, “Geen veegje, geen wolkje.”
“Ja,” antwoordde ik, “je kunt er een jasje uit knippen.”
Toen zei ze: “Zeg, blijf jij eens even stilstaan, stokstijf stilstaan.”
Ik deed wat zij vroeg.
Zij bekeek me lang en aandachtig, haar hoofd een beetje scheef, haar ogen tot spleetjes geknepen.
Toen zoefde haar schaartje knippend door de lucht, eerst nog voorzichtig, maar al snel resoluut.
“Let op,” zei ze.
Het leek alsof ze iets opving dat zo uit de lucht kwam vallen.
“Hebbes!”
“Een jasje?” vroeg ik.
“Trek aan,” zei zij.
Ze hield het voor mij op.
Ik paste het jasje, dat heel licht over mijn schouders hing. Ik streek met mijn handen over de panden en voelde voorzichtig aan de knopen.
“Als gegoten,” zei ik.
“Bijna,” zei zij.
Ze kwam vlak voor me staan, gaf een rukje aan de revers, zodat het in de schouders nog een klein beetje verschoof.
“Beter,” zei zij.
“Best!” zei ik.
Ik knikte naar een bankje, een paar meter verderop en we gingen beiden zitten. Ik keek eens naar haar en naar mijn jasje en staarde in de verte omdat ik niet goed wist wat ik zeggen moest.
Al snel voelde ik haar blik op mij rusten.
“Niet zo fronsen,” zei ze. “Dat past niet bij jou en al helemaal niet bij het jasje.”
Zij streek met haar vingers over haar eigen gladde voorhoofd.
“Dadelijk trekken de rimpels in de stof.”
Zo zaten wij daar. Zij keek naar mij, heel tevreden, en mijn vingers speelden met mijn jasje, mijn ogen gleden telkens langs de blauwe stof.
“Wordt het niet eens tijd voor de spiegel?” vroeg ze na een poosje.
Ze wees naar het water in de Singel en ik stond op en liep naar de waterkant en keek naar mijn silhouet, dat samen met het blauw van de lucht in het water weerspiegeld werd.
“Mooi,” zei ik.
Ik stak een hand op en zwaaide naar mezelf.
Een zuchtje wind tilde even een jaspand op.
‘De Grote Zwaaier’ al besteld? Een bundel met 45 van mijn blogs, vormgegeven en geïllustreerd door Jean Klare. 154 pagina’s, 19,90. Mail naar marten@martenheijs.nl
