Rekenwonder
Ik deed een rondje in mijn pauze en bleef heel even zitten op een bankje in het plantsoen. Ik keek naar het winters riet dat uit de vijver stak en luisterde naar het gejoel van kinderen, die verderop speelden in het park
Toen bleef er een vrouw voor me staan. Ze was een jaar of veertig, had blozende wangen en plukte met haar vingers in de kruin van een dwerghondje, dat zij tegen haar borst hield geklemd.
Ze keek mij aan:
“Mijn opa” zei ze, “die zat hier vroeger ook vaak”.
“Gelijk had hij” antwoordde ik. “Het is een heerlijke plek.”
Ze haalde haar schouders op.
“Hij zat net als u, met zijn vingers om de zitting geklemd, alsof hij anders weg zou waaien.”
Ik keek even naar mijn handen en zij aaide met een wijsvinger traag haar hondje over zijn kop. Het diertje kneep zijn ogen dicht.
“Leuke opa?” vroeg ik.
“Hij was een rekenwonder” antwoordde ze. “Eerst op zijn werk. Hij zat in de constructies. Hij zei dat hij rekenfouten rook en dat hij zo al heel wat bruggen van de instorting had gered.
Maar een paar jaar voor zijn pensioen moest hij eruit. Genoeg geroken blijkbaar en daarna zat hij thuis.”
Ze wees met haar vrije hand in de verte, waar achter het plantsoen een rij huizen tussen de bomen door schemerde.
“Als wij kwamen, riep hij altijd: geef eens een…”.
“Knuffel” zei ik. “Een kus.”
“Nee,” zei ze. “Hij was niet van de knuffels. Hij wilde een som. Dus zei ik ‘184 : 12’ of zo en dan fronste hij eens wat, knipperde hij een paar keer met zijn ogen en zei hoeveel dat was.
‘Knap hè’ zei mijn oma dan.
En soms zat hij hier, dus hier, waar u nu zit. Als er kinderen langskwamen, riep hij: ‘geef mij eens een som’ of ‘168 x 183 : 7’, wat komt daar uit?
Die kinderen holden natuurlijk door. Vreemde mannen met sommen op een bankje in het park.
Later liep hij slecht en moest hij thuisblijven.” Ze wees weer naar de huizen, achter het park. Maar hij bleef met dat rekenen aan de gang. Dan vroeg hij aan mijn oma: ‘weet jij wat 177 is?’
‘Nee’, zei ze. Ze zuchtte daar altijd een beetje bij.
In gedachten hoor ik die zuchten soms nog.
Dan zei hij: ‘de boeken in de kast gedeeld door de planten in de vensterbank’.
Mijn oma antwoordde een beetje vermoeid: ‘O echt. Wat knap’.
Zo heeft zij nog twintig jaar allerlei flauwe sommen aangehoord, en ‘wat knap’ gezegd. Maar toch hield ze geloof ik wel veel van hem. Ze keek soms zo vertederd als hij zijn getallen zat te prevelen.”
De vrouw zette haar hondje op de grond, hurkte om een riem aan de halsband te klikken, nam een pootje in haar hand en wreef even met haar duim over de tenen van de hond.
‘Daar dacht ik aan’ zei ze. ‘Toen ik u hier zo zag zitten. Uw handen om de zitting geklemd, een denkrimpel in uw gezicht. Ik zou u bijna een som opgeven.”
“Nou ja”, zei ik. “Ga je gang. Geneer je niet.”
Ze keek me een poosje ernstig aan, alsof ze probeerde te zien of ik een rekenwonder was.
Toen schudde ze haar hoofd.
“Dat moeten wij maar niet doen”, zei ze en ze kwam overeind, gaf een rukje aan de riem en liep langzaam door.