Mol

Er lag een molletje in mijn achtertuin, net op het straatje naar de keukendeur. Hij lag op zijn buik, zijn neus wat omhoog, een klauwtje tot vuist gebald. Om zijn kop een krans van het mos dat tussen de klinkers groeit.
Vreemd, dacht ik, want ik woon midden in de stad, in een zee van asfalt en steen en waar je ook graaft, het zand is er geel. De dichtstbijzijnde plek waar ik ooit een molshoop heb gezien, is in het oude plantsoen, een heel eind verderop.

Ik haalde een buurman op.
Hij is stokoud, woont zijn hele leven al in onze straat en heeft van de vreemdste dingen verstand.
Hij hurkte bij de mol, streek met zijn wijsvinger zacht over de rug van de mol en daarna over zijn neus.
“Ooit eerder gezien?” vroeg ik.
“Hier? Nooit” zei hij. “Hij is vast lang onderweg geweest.”
Mijn buurman staarde even naar zijn oude handen alsof hij daarmee zijn weg moest graven, van het plantsoen naar hier, om buizen en putten heen, onder het spoor door, langs de fietsenmaker en de apotheek, maar dan onder grond. Het gewicht van de hele stad, drukkend op zijn lijf. Helemaal naar mijn kleine tuin.

Toen keek hij om zich heen.
“Het moet toch heerlijk zijn om hier boven te komen.”
Hij wiegelde een beetje met zijn bovenlijf, alsof hij zich midden op het kleine gazon in mijn tuintje dwars door de grasmat naar boven werkte, knipperde met zijn ogen, verwonderd, alsof hij nog nooit eerder in mijn tuin was geweest en wees toen op het water in de oude trog, ingegraven onder de appelboom. Er dreef een vergeten appeltje in, de wangen nog rood, het steeltje een beetje krom. Naast de appel dreven een paar gele blaadjes.
“Alleen zo’n appeltje al.” zei hij. “Zo dromerig”.
Hij kneep zijn ogen dicht.
“Mollen zien misschien wel slecht. Maar wat ze niet zien dat ruiken ze en wat ze niet ruiken, horen ze.”
Hij legde een hand om zijn oor alsof hij luisterde.
“Zo’n appeltje dat met een plons uit de boom in het water valt, de broodkruimels die je ’s ochtends in het gras strooit. Dat ene blaadje dat maar in de top van de linde hangt en draait in de wind. Als ik onder de grond zat, zou ik hiervan hebben gedroomd. Als ik een mol was, zou dit mijn hemel zijn.”
Mijn buurman kwam overeind. Hij sloeg wat zand van zijn handen, veegde eens door zijn grote bos grijs haar, glimlachte nog een keer naar het molletje en vertrok.

Ik pakte een schep uit de schuur en groef aan de rand van het gazon een ondiep gat en legde de mol daar voorzichtig in. Ik verbaasde me erover, hoe zacht de vacht was, keek nog even naar het tot vuist gebalde klauwtje.
Alsof hij op het punt van aankloppen stond, bedacht ik.
Daarna keek ik een poosje naar mijn eigen winterse tuin, de hoop bladeren in de hoek bij de muur, het vermolmd stuk hout, een verdwaalde tak en al die andere dingen die me al een hele tijd niet opgevallen waren. Toen gooide ik een dun laagje aarde over de mol.

Tekening: Frederiek van der Heiden

Doe net als 247 andere lezers en ontvang mijn verhalen in je mail.

Doorsturen of delen? Graag!

Blog in je mail? Stuur een mail naar martenheijs@gmail.com en ik zet je op mijn verzendlijst. Vroeger of later krijg je dan mijn blog in je mail. 

Klik op het spraakwolkje om reacties te lezen of te plaatsen. 

Vanaf 31 oktober verkrijgbaar

De Grote Zwaaier

De mooiste blogs van Marten Heijs

154 pagina‘s | softcover
125 x 200 mm
ISBN 978 9465 263311
€ 19,90 * 

* plus verzendkosten.