Zo jong
In de trein keek ik op mijn telefoon heel even naar het nieuws, voorzichtig, een beetje schuchter, ongeveer zoals je door een kiertje langs de deur in een kamer kijkt, waarvan je niet precies weet wat zich erin bevindt. Daarna veegde ik de berichten weer weg.
Toen zei een man tegenover mij.
“Wat jij daar doet, is niks, helemaal niks.”
Met zijn hand imiteerde hij het gebaar waarmee ik het nieuws van mijn telefoon had weggeveegd.
“O nee?” zei ik.
Hij schudde zijn hoofd. Hij was wat ouder, had blozende wangen en in zijn ogen lag een kinderlijke blik.
“Nee,” zei hij. “Weet je wat ik mis?”
“Geen idee,” antwoordde ik.
“De krant,” zei hij. “De echte krant. Al dat…”
Met zijn duim en wijsvinger maakte hij het knijpgebaar waarmee ik even op een berichtje had in- en uitgezoomd.
“Dat is geen krant lezen,” zei hij. “Een krant is van papier. En groot. Veel groter dan die krantjes van nu.”
Hij wees naar de andere kant van het gangpad, waar een vrouw de krant zat te lezen, twee dunne katernen, dubbelgevouwen op haar schoot.
“Ik bedoel die ouderwetse kranten. Een keer zo groot waren die en drie, vier keer zo dik als die krantjes van nu.
Hij spreidde zijn armen uit over de volle breedte van de bank, krulde zijn vingers om een denkbeeldig blad, zijn mond zakte open en hij zette grote ogen op, alsof hij iets verbazingwekkends las.
“En dan niet op schoot of aan tafel,” zei de man. “Een krant lees je uit de hand, het liefst gezeten op een keukenstoel. Zo doe je dat.”
Hij rechtte zijn rug en deed weer of hij zijn krant vasthield.
“Zo deed mijn vader dat ook. Elke ochtend las hij de krant, zo’n lel van een krant, en ik stond bij hem in de kamer en keek ademloos toe. Alle katernen tegelijk hield hij vast, recht voor zijn neus, geen kreukje kwam erin en als hij een pagina omsloeg, dan wervelde de lucht. De kamerplanten trilden ervan. “
De man staarde even voor zich uit. In zijn ogen weerspiegelden de ramen van de trein.
De man keek mij weer aan.
“Mijn vader zat helemaal verstopt achter de krant,” zei hij.
“Af en toe hoorde ik ‘hmm’ of ‘tja’ of ‘tjongejonge’. Hij tikte eens met zijn voet op de vloer. Zo nu en dan steeg een rookpluimpje boven de pagina’s uit, want hij rookte altijd en ik dacht: als ik groot ben, kan ik dat misschien ook. Heel misschien. Want zoals mijn vader de krant las, dat was spectaculair. Dan bladerde hij voorwaarts, achterwaarts, verwisselde pagina’s, schoof een katern door, wierp een bladzijde omhoog, ving een andere op, soms zweefden al die dicht bedrukte pagina’s met al die nieuwsberichten in een reusachtige wolk voor hem in de lucht. Hij knipte met zijn vingers en hij had ze weer vast. Ik heb later weleens een straatartiest met twaalf kegels zien jongleren, minuten achtereen. Iedereen applaudisseerde. Ik dacht alleen maar: aardig, heel aardig, maar het lijkt niet op mijn vader en zijn krant.
Dus je begrijpt”, de man wees naar mijn telefoon, deed met zijn vingers alsof hij scrolde en zoomde, “die telefoon is niets en ook dat vluchtige niet, zo’n blik van tien secondes. Mijn vader las lang, heel lang, en zonder op of om te kijken. Ik denk niet dat hij mij zag, maar altijd kwam er een moment waarop hij zei:
‘zo uit’.
Dan sloeg hij de krant dicht, vouwde hem keurig dubbel, legde hem op zijn schoot en streek er met zijn beide handen over, natuurlijk om het papier extra glad te strijken, maar mij leek het alsof hij alles wat in die krant gebeurde stopzette. Zo van ‘zo jongens, nu is het genoeg’ en daarna staarde hij nog een poosje de kamer in. Hij wiebelde eens met zijn hoofd. Hij fronste eens wat. Misschien dacht hij nog wat na over wat hij gelezen had. Tot hij mij ineens zag staan. Dan keek hij mij aan, eerst wat onderzoekend, een beetje verwonderd, maar dan glimlachte hij en zei hij, heel warm en heel zacht:
“Zo jong. Ben jij daar.”