Tevreden
Op de Brinkgreverweg zag ik een bezem staan. Het was een heel gewone bezem, met een wat gebogen essenhouten steel en een borstel met rode haren, en ik dacht aan de oude Else die jaren geleden een paar verdiepingen onder mij woonde.
Ik zag haar elke ochtend vegen als ik de deur uitkwam om naar mijn werk te gaan. Zij veegde met krachtige halen en de haren van de bezem slisten over de stoep. In tegels waren witte strepen uitgesleten.
“Zo is het wel een keertje schoon,” zei ik op een vroege morgen.
“Het gaat niet om het vuil,” zei ze. “Het gaat me om de zwiep”.
Met een krachtige haal sloeg zij haar bezem over de stoep.
“Voel je het?” vroeg ze.
Ze veegde nog is.
Ze had kleine rode handen en die klemde zij krachtig om haar bezemsteel. Het vel van haar bovenarmen schudde bij elke veeg en haar haren bewogen mee.
“Het is meer dan vegen”, zei ze.
“Ik zwiep een keer en achter me hoor ik een deur. Dat ben jij. Jij gaat naar je werk.
Ik zwiep nog een keer en aan de overkant gaan de gordijnen open. Dat is dat blonde meisje, ze is altijd laat. Ik stamp met mijn bezem op de stoep en de buurman rijdt op zijn motor de brandgang uit. Ik stamp voor een tweede keer en zijn vrouw holt achter hem aan om hem nog even uit te zwaaien en te roepen dat hij voorzichtig rijden moet. Hij hoort het niet maar hij doet het toch.
Zo veeg ik een half uur en breng ik alles op gang.
Het boemeltje dat hierachter over het spoor rijdt en net over de wissel bonkt. De belletjes van de overgang.
De lesauto, die moet keren op de weg.
Al die gordijnen die overal opengaan, de boterhammen die worden gesmeerd, tanden die worden gepoetst.
Ik ben het allemaal.
En als iedereen dan weg is, alles draait en werkt en wentelt, keer ik mijn bezem om. De borstel omhoog, de steel op de stoep, een heel klein tikje schuin, ik leg mijn armen op de borstel en ik leun. Ik leun met mijn ogen dicht. De zon komt net over de huizen en valt precies op mijn gezicht en ik denk aan al die mensen die aan het werk zijn.
Die man met de motor zit op de sluis en moet van die enorme hendels overhalen. Jij zit in vergadering, knikt eens ja en schudt eens nee en trekt af en toe een wenkbrauw op. Dat meisje geeft les op een middelbare school. Ze staat met haar handen voor haar buik te draaien, zoals al die docenten doen en legt iets ingewikkelds uit en dat boemeltje rijdt langzaam in de richting van de zee.
En ik leun op mijn bezem, de wind waait door mijn haar, ik ben een beetje dizzy en ik denk: dat komt niet doordat ik moe ben of doordat ik ouder word. Nee, wat ik voel is het draaien van de aarde, die heb ik zelf op gang geveegd. Zou er ergens op de wereld iemand zo tevreden zijn als ik?”