Aan boord: Hij staat op de dijk. De nacht is zwart. Het water is zwart. De wind speelt met zijn haren. Hij snuift. `De zilte lucht.
Wat doe ik hier, denkt hij.
Dan glinstert er iets op het water. Er is gerucht.
“Dijkgraaf Reinders?” Lispelt een zachte vrouwenstem, ergens in het niets.
Ja.
Hij denkt het slechts, toch volgt antwoord.
“Tijd om te gaan.”
“Ik hoor op het land, niet op het water” zegt hij.
Uit het donkere niets doemt een roeiboot op. Een witte vinger wijst op een bankje.
Zit!
De dijkgraaf stapt aan boord.
De riemen piepen in de dollen.