[112]
Vogels horen: Ik rende door het plantsoen in de eerste avondschemering en hoorde overal lijsters. Bij de kolk vlogen de roeken op uit de boomkronen, woest krassend. Aan de IJssel hoorde ik scholeksters, , een waterhoen. Ik ging beide bruggen over, maakte een lange lus door de stad, daar enkel autolawaai en maakte mijn ronde af.
Voor de deur maakte ik een praatje met mijn buurvrouw.
‘Ik heb gewandeld’ zei ze. ‘Ik hoorde zoveel vogels’.
Op dat moment hoorden we ganzen, keken omhoog en onderscheidden nog net hun silhouetten, een V tegen de donkere avondlucht. Alsof een rimpeling door het water trok.