187 / Nederland speelt: Het is warm, mijn ramen staan open, de straten zijn stil. Het Nederlands elftal speelt. Ik kijk naar mijn achterbuurmans tv, even reusachtig als zijn ontblote bovenlijf. Zijn vrouw zit naast hem, oranje leeuw op schoot.
Er wordt geschreeuwd, ge-oeoeoeod-en-aad, gejuicht.
Ik hoef het niet te weten, maar moet toch kijken.
Hierachter zitten ze nog op de bank. Niks. Anders zou hij dansen, zij zwaaien met haar leeuw en misschien even opkijken naar mijn raam.
Zij heeft me weleens aangesproken.
‘Vind je er echt niets aan?’
‘Spijt me’.
‘Geeft niks.’
Dat klonk oprecht, alsof ze me een onbegrijpelijke zonde vergaf.