Fiets

Op Marktplaats kwam een fiets voorbij.
‘Voor wie?’ stond er onder.
“Voor mij,” fluisterde ik, want hij oogde zo mooi en zo statig. Een oer-klassiek model op een groot gazon, schuintjes leunend op de standaard, op de achtergrond schemerde meer groen. Onder het zadel zaten enorme veren, die blonken in de zon.

Een halve middag zat ik in de trein en twintig minuten in de bus. Toen stond ik naast die fiets, in een heel grote achtertuin, omzoomd door een hoge meidoornhaag.
De verkoper was een oudere heer met glinsterende ogen in een wit gezicht en een gilet met bungelende knopen. Samen keken we naar de fiets.
“Waarom doet u hem weg?” vroeg ik.
Hij krulde zijn onderlip en deed even zijn ogen dicht en beleefd sloot ook ik mijn ogen.

Toen ik ze weer opendeed, rustte zijn hand op het lederen zadel.
“Zuurvrij gelooid,” zei hij. “Handgesneden. En steeds op tijd een likje vet gehad. En dan die veren. Je zit niet, je zweeft.”
Hij tikte met zijn nagel tegen een van de veren; heel zacht, maar het gonsde door de achtertuin.
“Wat mooi,” zei ik.
Achter ons ruiste de haag. Een vlaag wind speelde door het gras en er viel een knoopje van het gilet op het gazon.

Ik probeerde de bel.
“Fijn geluidje toch,” zei de man. “Vind je het niet net een waterval? De mensen gaan voor hun plezier voor je aan de kant. Soms vragen ze in het voorbijgaan zelfs of je nog een keertje bellen wil. Zo prettig vinden ze de klank, zo helder, zo beschaafd.”
Hij klopte op de stang.
“En wat vind je van die kleur, dat blauw. ‘Hemelsblauw’, zo noemde mijn vrouw het altijd. Ik vraag me vaak af of het nou het blauw van de ochtend of van de avond is. Wat denk jij?”
“De ochtend,” zei ik resoluut. “Zo’n ochtend in het voorjaar, waarop je je de hele winter verheugt.  ‘s Ochtends is het nog een beetje fris, maar ’s avonds is het precies behaaglijk en als je in je bloemperken kijkt, zie je ineens dat er van alles opkomt, van die kiemblaadjes, waar nog een korreltje aarde op ligt en je weet: nog even, dan barst de tuin van de kleuren uit elkaar.”
We praatten nog even door, over het suizen van banden als je een heuveltje afrijdt, de wind die in je spaken zingt en hoe fijn het is als je ’s morgens vroeg de schuur opendoet en daar je fiets ziet staan. En de man gaf even een slinger aan het voorwiel om te laten zien hoe goed het licht het deed en hoe mooi geleidelijk het doofde, als het wiel was uitgedraaid.

Kom, dacht ik toen, nu moet ik die fiets maar eens proberen en kijken of hij mij past. En het daarna hebben over de prijs. Een beetje loven. Een beetje bieden. Ik marchandeer nu eenmaal altijd. Maar pingelen en proberen, leek me plots zo ongepast, zo praktisch, zo alledaags. Ik schraapte mijn keel, keek verlegen om mij heen en bracht het na heel lang denken tot:
ehm” en “dus”.
Op dat moment zei de man:
“Kom. Tijd om te gaan.”
Hij keek naar de zon.
“Deventer, zei je toch? Als je nu opstapt, ben je nog net voor donker thuis.”
Met zijn hand maakte hij een gebaar, alsof hij mij een klein duwtje gaf.

Tien minuten later zat ik op het zadel. Nee ik zat niet, ik zweefde. De banden suisden en de wind zong in de spaken. Af en toe liet ik het belletje rinkelen en ik zwaaide naar iedereen die ik maar zag.  Pas heel laat stapte ik mijn eigen tuintje in. Daar lichtte in de schemer het wit van de allereerste cosmea op.

 

Daniëlle van Strien: ‘Schemering VI (cosmea)’, 2020. Fine Art Print,  27,5 x 27,5 cm.
(Cube Gallery Joppe).

Doe net als 246 andere lezers en ontvang mijn verhalen in je mail.

Doorsturen of delen? Graag!

Blog in je mail? Stuur een mail naar martenheijs@gmail.com en ik zet je op mijn verzendlijst. Vroeger of later krijg je dan mijn blog in je mail. 

Klik op het spraakwolkje om reacties te lezen of te plaatsen. 

Vanaf 31 oktober verkrijgbaar

De Grote Zwaaier

De mooiste blogs van Marten Heijs

154 pagina‘s | softcover
125 x 200 mm
ISBN 978 9465 263311
€ 19,90 * 

* plus verzendkosten.