Koekjes
Ik zat op de bank in de woonkamer, mijn boek op schoot, al beklijfde wat ik las niet erg, toen er een trilling door het huis voer en uit het niets sprong op tafel de koekjestrommel open. Het deksel schoot eraf. Op de bodem van het blik hoorde ik de kruimels dansen en op hetzelfde moment vulde de geest van Elba mijn kamer.
“En maar lezen,” zei ze. “En maar staren. Was dat soms afgesproken?”
Zij wenkte mij.
Ik legde mijn boek weg en liep naar de keuken. De lampen onder de kastjes brandden zwak. De gardes en lepels hingen roerloos aan hun rekje boven het aanrecht. Ik deed met een tikje van mijn nagel het licht in de oven aan en dacht er aan hoe Elba en ik ooit bij haar thuis koekjes bakten. Zij werkte snel, nonchalant en vaardig, zoals bij alles wat zij deed.
Haar keuken was klein en haar huis lag aan een drukke straat, vlakbij het busstation. Aan een draad uit het plafond bungelde de lamp, het lampenkapje scheefgezakt. Als er een bus passeerde, slingerde de lamp heen en weer, trilde de vaat in het afdruiprek en rammelde het keukengerei dat in een aardewerken pot op het aanrecht stond.
Zij mengde de ingrediënten zonder te wegen.
“Je voelt toch vanzelf wat nodig is,” zei ze.
Ze goot bloem uit de zak zo op het aanrecht, sneed de boter met een dichtgeknepen oog en schudde krenten uit haar mouw, als in een goocheltruc. Met een opgetrokken wenkbrauw keek ze hoe voorzichtig ik de zoutpot pakte.
Ze riep “boe” toen ik een kwart maatlepeltje zout afwoog, zei “oei, morgen breek je een enkel” toen ik het zout naast het lepeltje goot en stak haar tong naar me uit toen ik beteuterd naar de gemorste zoutkorrels keek.
Later rolden wij het deeg.
Zij deed dat met soepele gebaren. Onder haar roller zong het deeg.
“Daaraan kun je horen dat het een heel goed deeg is,” zei ze.
Ze nam de lap deeg van het aanrecht, hield hem even tegen het licht en deelde hem toen in tweeën.
Ze gaf mij een helft.
“Maak er iets moois van, jongen,” zei ze.
Haar vingers schoten door het deeg, figuren rezen op: herten, harten, vogels, nog veel meer. Ze keek geamuseerd hoe ik mijn helft schuchter in onbeholpen vormen sneed: sterren met kromme punten, stompe piramides, kleverige vierkantjes met platgedrukte hoeken.
Ik schaamde me er een beetje voor maar zij legde ze op de bakplaat, mooi in patroon, schoof de plaat in de warme oven en sloot de ovendeur. Plots zagen al die vormen er prachtig uit.
“Dit is het mooiste,” zei ze, terwijl wij samen voor de oven keken hoe de koekjes langzaam rezen. Haar dieren kwamen tot leven, mijn sterren strekten hun punten, de toppen van de piramides werden plots scherp. De lucht in de oven trilde, op de koekjes verscheen een zacht bruine glans, ongeveer zoals een zuchtje wind een rimpeling over het water trekt.
Na een poosje zette zij de ovendeur op een kier.
Wij snoven.
“Goed?” vroeg ze.
“Goed,” zei ik.
Ze opende de deur, nam voorzichtig de plaat uit de oven en wij legden de koekjes op een rooster op tafel en keken hoe ze langzaam afkoelden.
Toen pakte zij een koekje en ik nam er een. We kauwden aandachtig. Het geknisper van de koekjes tussen onze tanden vulde de keuken, de lamp slingerde traag aan zijn draad, op het aanrecht rammelde zacht het keukengerei en de geur van warme koekjes was overal om ons heen.