Staartje

Na een uurtje rennen streek ik even neer op een bankje, aan de rand van het bos. Ik trok mijn schoenen en mijn sokken uit, speelde met mijn tenen door het zand en keek naar de sporen die ik daarin achterliet. Ver achter mij zong een vogel in het bos.

Toen hoorde ik een stem.
“Houd jij van vogels?”
Het was een kleine vrouw. Ze had haar haar in een staartje en ze droeg een bruinig jasje met lichte flanken.
“Wie houdt er nou niet van vogels?” antwoordde ik.
Ze nam me vorsend op, haar hoofd een tikje scheef. Het was alsof ze mij niet helemaal vertrouwde.
“Ik geloof,” zei ik, “dat ik het liefst zelf een vogel was geweest.”
“Om het vliegen?” vroeg ze.
Ze sprong wat op en neer, haar staartje danste en ik trok met mijn grote teen wat strepen in het zand.
“Ook,” zei ik toen.
En in gedachten steeg ik op, tot hoog boven het pad, waar ik haar en mij als twee kleine stipjes zag. Ik werd er een beetje draaierig van.

Ik daalde langzaam neer.
Zij keek mij aan. Iets milder nu.
“Wat voor vogel zou je willen zijn?” vroeg ze toen.
Ze spreidde haar armen.
“Heel groot of juist piepklein.”
Ze beeldde met duim en wijsvinger een minuscuul vogeltje uit.
Ik dacht aan al die vogels in mijn achtertuin, met hun ondoorgrondelijk gekwetter en gescharrel en hun eindeloze bedrijvigheid.

“Ik denk,” zei ik na een poos, “dat ik het allerliefst een merel was. Een beetje pikken in het gras, spetteren in een plas, en lawaaien in het dorre blad.
Ze keek mij aan met kleine donkere ogen, waarin ik iets weerspiegeld zag. Ik geloof dat zij mijn geritsel hoorde, dat ze mij voor zich zag, onder een struik, wild pikkend in mos en blad. Ik voelde me er verlegen van.

Wij zwegen allebei.
Zij deed een paar passen op haar plaats. Mijn rechtervoet vond in het zand een takje. Daar krulden mijn tenen zich omheen. Zij keek omhoog, naar de toppen van de bomen. Mijn gedachten dreven even naar mijn straat, de huizen met hun doorgebogen daken en de hoge schoorsteenpijpen.

“En zingen?” vroeg ze.
Ze tuitte haar lippen en floot zacht.
“Ja” zei ik. “Zingen, dat zou ik zeker doen. Elke avond, als een silhouetje op een schoorsteenpijp, voor al die mensen die beneden in hun tuinen op hun bankjes zitten en wachten of er misschien nog een buitje komt.”

“En ’s ochtends?” vroeg ze.
Zij deed heel even haar ogen dicht.
“’s Ochtends” antwoordde ik.
Ik keek haar even aan. “’s Ochtends heel vroeg, als het licht nog grijzig is en iedereen nog slaapt? Bedoel je dat? Dan zou ik als allereerste vogel zingen. Ergens heel hoog op een huizenblok, boven al die stille tuinen. Eerst een paar zachte strofes, dan wat langer en wat luider, en na elke strofe zou ik een poosje zwijgen en kijken naar de huizen om mij heen en denken: wat is het toch heerlijk zo vroeg te fluiten, terwijl iedereen nog slaapt. Daar beneden wordt dadelijk iemand wakker, doet eerst een oog open, dan het andere, woelt en zucht een beetje en mompelt dan:
“’t is nog vroeg, maar wat een prachtige merel. Het kan niet anders, die zingt speciaal voor mij.”

Ik zweeg en trok met mijn tenen nog wat sporen in het zachte warme zand en zij deed een paar passen op haar plaats. Haar staartje slingerde nog wat heen en weer, steeds zachter. Achter me ruiste de wind in de bomen. In de verte zong een vogel en in gedachten zong ik zachtjes mee.

Doe net als 246 andere lezers en ontvang mijn verhalen in je mail.

Doorsturen of delen? Graag!

Blog in je mail? Stuur een mail naar martenheijs@gmail.com en ik zet je op mijn verzendlijst. Vroeger of later krijg je dan mijn blog in je mail. 

Klik op het spraakwolkje om reacties te lezen of te plaatsen. 

Vanaf 31 oktober verkrijgbaar

De Grote Zwaaier

De mooiste blogs van Marten Heijs

154 pagina‘s | softcover
125 x 200 mm
ISBN 978 9465 263311
€ 19,90 * 

* plus verzendkosten.