Gelukkig echtpaar
Het gelukkig echtpaar liep mijn straatje in. Ik zie ze wel vaker gaan, altijd maar stralen, altijd maar blij en altijd hand in hand en in de pas.
Ze zijn beiden wat ouder, maar ze lopen alsof de beste jaren van hun leven eeuwig zullen duren. Zo vitaal, zo onverslijtbaar, zo fit. Zij heeft golvend blond haar, dat danst bij elke stap en ze is heel subtiel opgemaakt. Op haar boezem rust een ketting met heel veel parels en hij heeft de ogen van een onschuldig kind, blozende wangen en een buikje dat misschien een tikje aan de ronde kant is maar wel precies bij hem past. De neuzen van zijn schoenen blinken erop los.
Vandaag ga ik het hen vragen, dacht ik, terwijl zij naderden. Want ik wil al heel lang weten of het echt zo is wat ik allemaal denk.
Klopt het dat jullie altijd op weg naar een feestje zijn? Is dat waar? Zie ik het goed, dat er bij jullie altijd iets te lachen valt? Dat jullie in gezelschap precies dat zeggen wat wordt verwacht, maar dat het nooit voorspelbaar klinkt en dat er nooit een ongemakkelijke stilte valt. Is dat waar?
Die ketting. Zijn dat nou echte parels? En klopt het wat ik voor me zag? Dat hij jou die ketting op een zomerse dag geschonken heeft, verlegen als een zestienjarige, die zijn vriendinnetje voor het eerst een cadeautje geeft en “zomaar” fluistert terwijl hij bloost en naar zijn schoenen kijkt.
Dat jij toen je een beetje bijgekomen was zei: “die is alleen voor bijzondere dagen.”
En dat hij antwoordde: “maar lieverd, elke dag met jou is een bijzondere dag”.
Klopt het ook, sorry, het is een tikje traditioneel, het zit wat dieper in me dan ik dacht, dat zij elke zondagavond jouw schoenen poetst? Ze blinken zo mooi. Ik zie het zo voor me, hoe zij met een zachte doek in razend tempo die neuzen tot hoogglans wrijft, hoe haar vingers even langs de veters strijken om te voelen of er nergens een breukje dreigt en hoe ze met een extra likje schoensmeer een beginnend barstje in een van de flanken wegmasseert, elke zondag weer.
Vermoeit het nooit, altijd maar hand in hand. Hoe doen jullie dat toch? Ik voel me altijd zo hopeloos wanneer ik iemand een arm geef, zo onhandig, zo stijf, alsof ik op het punt van struikelen sta. Bij jullie gaat het zo te zien vanzelf, alsof jullie ervoor geboren zijn. Hebben jullie nooit de drang om zo’n hand terug te trekken. Te sissen: “Geef hier, die is van mij.”
Maken jullie eigenlijk nooit ruzie. Zeggen jullie nooit van die dingen die wel op een grapje lijken maar dan wel met een gemene ondertoon. Zoeken jullie nooit ruzie, zonder dat je zelf snapt waarom. Smijten jullie niet met deuren? Denken jullie nooit: Zo, die is weg. Hopelijk duurt het even als de ander naar de winkel gaat?
Naar dat soort dingen wilde ik vragen. Heel voorzichtig, met een omweggetje, heel subtiel, maar ik durfde het niet. Natuurlijk durfde ik het niet. Dus groette ik maar:
“Goedemorgen. Is het geen prachtige dag?”
Zij antwoordden in koor.
“Ja stralend. Geniet er maar lekker van.”
Zij knikte en hij stak zijn vrije hand op en wuifde, een beetje zoals de Sint, vlak nadat hij cadeautjes gegeven heeft.